Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

2017-11-14

spreken

betekenis & definitie

spreken - onregelmatig werkwoord
uitspraak: spre-ken

1. woorden uitspreken, iets zeggen
♢ de voorzitter heeft lang gesproken
1. over Jan gesproken ....
[nu we het toch over Jan hebben]
2. zij spreekt altijd de waarheid
[liegt nooit]
2. een gesprek voeren
♢ ik wil de directeur spreken
1. daar ben ik niet over te spreken
[dat bevalt me niet]
3. in een taal kunnen praten
♢ zij spreekt vloeiend Turks

Algemene uitdrukkingen:
1. normaal gesproken ....
[gewoonlijk]
2. dat spreekt vanzelf
[natuurlijk!]
3. ik heb bij wijze van spreken geen tijd om te eten
[dat is niet echt zo, maar ik heb het erg druk]
4. deze cijfers spreken voor zich
[ze zijn duidelijk genoeg]
5. spreken is zilver, zwijgen is goud
[het is beter om te zwijgen dan om te praten]
Onregelmatig werkwoord: spre-ken
ik spreek
jij/u spreekt
hij/zij spreekt
wij/zij/jullie spreken
ik/jij/u/hij/zij sprak
wij/zij/jullie spraken
hij heeft gesproken
de/het/een gesproken ....
sprekend, sprekende

Synoniemen
converseren, kleppen, lullen, praten
Tegenstellingen
zwijgen