spiegel betekenis & definitie

spiegel - zelfstandig naamwoord
uitspraak: spie-gel

1. plat glas met zilverkleurige laag dat het beeld weerkaatst
ik zag in de spiegel dat mijn haar niet goed zat
1. hem een spiegel voorhouden
[laten zien wat hij verkeerd doet]

Zelfstandig naamwoord: spie-gel
de spiegel
de spiegels
het spiegeltje