Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 30-11-2017

schoon

betekenis & definitie

schoon - bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

1. zonder stof, viezigheid of vlekken
zijn je handen wel schoon?
1. schoon aan de haak
[naakt gewogen]
2. met een schone lei beginnen
[een heel nieuw begin maken]
3. schoon metselwerk
[netjes gevoegd]
4. een schone motor
[die weinig luchtvervuiling veroorzaakt]
5. schoon schip maken
[opruimen]
2. mooi om te zien of te horen
♢ dat is schone muziek
1. het schone geslacht
[de vrouwen]
2. de schone slaapster
[Doornroosje]
3. het loon nadat alle premies betaald zijn
♢ ik verdien 300 euro schoon
1. schoon in het handje
[contant]

1. zonder beperkingen, helemaal
♢ je hebt schoon gelijk, hoor
1. er schoon genoeg van hebben
[het helemaal zat zijn]
2. het loon nadat alle premies betaald zijn
♢ wat verdien jij eigenlijk schoon?

Algemene uitdrukkingen:
1. het eten is schoon op
[helemaal op]
2. je hebt schoon gelijk
[helemaal gelijk]
3. ik heb er schoon genoeg van
[ik ben het zat]
4. zijn kans schoon zien
[een goede kans zien en daar gebruik van maken]
Bijvoeglijk naamwoord: schoon
... is schoner dan ...
het schoonst
de/het schone ...
iets schoons

Synoniemen
clean, fris, helder, netto, proper, rein, schoon

Tegenstellingen
bruto, groezelig, onfris

Bijwoord: schoon

Synoniemen
netto, schoon, uitgesproken

Tegenstellingen
betrekkelijk, bruto