Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

rest

betekenis & definitie

rest - zelfstandig naamwoord

1. wat nog over is
♢ de rest van de vakantie gaan we wandelen
1. stoffelijke resten
[het lichaam van een dode]
2. voor de rest
[voor het overige]
3. én de rest
[er valt nog veel meer op te noemen]
4. laat de rest maar zitten
[ik hoef geen wisselgeld]
5. ikke, ikke, ikke en de rest kan stikken
[wat ben jíj egoïstisch!]
2. overschot van een maaltijd
♢ vandaag koken we niet, want er zijn nog restjes

Zelfstandig naamwoord: rest
de rest
de resten
het restje

Synoniemen
kliek, overblijfsel, overschot, plus, restant