plus - bijwoord, voorzetsel, zelfstandig naamwoord
1. wat positief is, boven nul
♢ het is plus 21 graden Celsius
1. 40+ kaas
[met minstens 40 procent vet]
2. 65 plus
[65 jaar of ouder]
1. geeft aan dat je het tweede getal moet optellen bij het eerste
♢ tien plus drie is dertien
2. waar je het mee moet vermeerderen
♢ dat is verkoopprijs plus btw
1. wat nog over is
♢ we hadden een plus van 10.000 euro
2. iets wat gunstig is
♢ het is toch een plus dat hij zoveel geld heeft
3. teken dat aangeeft dat je getallen moet optellen
♢ je zet een plusje tussen die getallen als je ze wilt optellen
Bijwoord: plus
Tegenstellingen
min
Voorzetsel: plus
Tegenstellingen
min, minteken, minus
Zelfstandig naamwoord: plus
de plus
de plussen
het plusje
Synoniemen
overblijfsel, overschot, plusteken, rest, restant, voordeel
Tegenstellingen
bezwaar, nadeel
Studenten en medewerkers van onderwijsinstellingen hebben gratis toegang.
Ensie voor jouw (onderwijs)instelling? Bekijk de mogelijkheden.