Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 30-11-2017

plus

betekenis & definitie

plus - bijwoord, voorzetsel, zelfstandig naamwoord

1. wat positief is, boven nul
♢ het is plus 21 graden Celsius
1. 40+ kaas
[met minstens 40 procent vet]
2. 65 plus
[65 jaar of ouder]

1. geeft aan dat je het tweede getal moet optellen bij het eerste
♢ tien plus drie is dertien
2. waar je het mee moet vermeerderen
♢ dat is verkoopprijs plus btw

1. wat nog over is
♢ we hadden een plus van 10.000 euro
2. iets wat gunstig is
♢ het is toch een plus dat hij zoveel geld heeft
3. teken dat aangeeft dat je getallen moet optellen
♢ je zet een plusje tussen die getallen als je ze wilt optellen

Bijwoord: plus

Tegenstellingen
min

Voorzetsel: plus

Tegenstellingen
min, minteken, minus

Zelfstandig naamwoord: plus
de plus
de plussen
het plusje

Synoniemen
overblijfsel, overschot, plusteken, rest, restant, voordeel

Tegenstellingen
bezwaar, nadeel