plaats betekenis & definitie

plaats - zelfstandig naamwoord

1. bepaalde ruimte of punt in de ruimte
♢ op deze plaats blijf ik zitten
1. in plaats van
[als vervanging van]
2. plaats innemen
[een hoeveelheid ruimte bezetten]
3. hij was ter plaatse
[op die plaats]
4. plaats maken voor iemand
[ruimte voor hem maken]
5. opgestaan plaats vergaan
[als je wegloopt mag ik op je plaats]
6. dat is op zijn plaats
[dat is zoals het hoort]
7. het hart op de juiste plaats hebben
[iets voor anderen over hebben]
8. een zekere plaats
[het toilet]
9. pas op de plaats maken
[bewust geen voortgang maken]
2. punt in een volgorde
♢ hij eindigde op de tweede plaats
1. op de eerste plaats ....
[als eerste]
2. zijn plaats niet weten
[niet weten waar hij zich aan moet houden]
3. stad of dorp
♢ Amstelveen is een grote plaats

Algemene uitdrukkingen:
1. in jouw plaats
[als ik in jouw positie was]
Zelfstandig naamwoord: plaats
de plaats
de plaatsen
het plaatsje

Synoniemen
locatie, oord, plek, punt, stek