Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

pand

betekenis & definitie

pand - zelfstandig naamwoord

1. deel van een kledingstuk
♢ op de panden van zijn jas zat modder
2. waar je in kunt wonen of werken
♢ het pand is in de Vondelstraat

Zelfstandig naamwoord: pand
het pand
de panden
het pandje

Synoniemen
gebouw