Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

paard

betekenis & definitie

paard - zelfstandig naamwoord

1. dier met vier benen, om op te rijden of om te laten trekken
hij reed op een paard door het bos
1. het beste paard van stal
[de beste persoon die erbij is]
2. het paard achter de wagen spannen
[het verkeerd aanpakken]
3. zij is over het paard getild
[verwend]
4. ik heb honger als een paard
[erg veel honger]
5. een gegeven paard mag je niet in de bek kijken
[je moet tevreden zijn met wat je krijgt]
6. dat is trekken aan een dood paard
[het kost veel energie maar levert niets op]
7. het is goed sollen met een dood paard (TB)
[je kunt er alles mee doen]
8. mensen met paarden hebben de hemel op aarde, maar als zij sterven, valt er niets meer te erven (TB)
[paarden houden is fijn, maar erg duur]
9. het beste paard struikelt weleens
[iedereen maakt wel eens een fout]
10. hoog te paard zitten
[verwaand zijn]
11. man en paard noemen
[de namen van de betrokkenen]
12. de prins op het witte paard
[de ideale echtgenoot die langskomt]
13. je bent het beste paard van stal vergeten
[wanneer iemand overgeslagen is]
14. het paard van Troje
[een nagemaakt paard waarin de aanvallers zich verstopt hadden]
15. het paard van Troje binnenhalen
[je eigen ondergang bewerkstelligen]
16. op het verkeerde paard wedden
[een misrekening maken]
17. een ziekte komt te paard, en gaat te voet
[je hebt een ziekte snel, maar het genezen gaat langzaam]
18. het oog van de meester maakt het paard vet
[als de baas toekijkt, gaat alles beter]

Zelfstandig naamwoord: paard
het paard
de paarden
het paardje

Synoniemen
knol