opvouwen betekenis & definitie

opvouwen - regelmatig werkwoord
uitspraak: op-vou-wen

1. een of meer keer dubbelslaan
ik heb de gewassen handdoeken opgevouwen

Regelmatig werkwoord: op-vou-wen
ik vouw op (... ik opvouw)
jij/u vouwt op (... jij opvouwt)
hij/zij vouwt op (... hij opvouwt)
wij/zij/jullie vouwen op (... wij opvouwen)
ik/jij/u/hij/zij vouwde op (... ik opvouwde)
wij/zij/jullie vouwden op (... wij opvouwden)
hij heeft opgevouwen
de/het/een opgevouwen ....

Synoniemen
vouwen

Tegenstellingen
ontvouwen, opengaan