Muiswerk

Woordenboek van Muiswerk Educatief

Gepubliceerd op 14-11-2017

2017-11-14

oog

betekenis & definitie

oog - zelfstandig naamwoord

1. elk van de twee organen waarmee je kunt zien
hij heeft zwart haar en bruine ogen
1. uit het oog, uit het hart
[wie je niet meer ziet, vergeet je]
2. zo op het oog
[als je oppervlakkig kijkt]
3. uit het oog verliezen
[niet meer zien]
4. iemand onder vier ogen spreken
[zonder dat er anderen bij zijn]
5. oog om oog, tand om tand
[wat iemand je aandoet, dat doe je ook hem aan]
6. oog in oog staan met iemand
[recht tegenover elkaar]
7. iemand een doorn in het oog zijn
[hem ergeren]
8. groen en geel voor de ogen worden
[duizelig worden]
9. iemand een rad voor de ogen draaien
[de dingen anders voorstellen dan ze zijn]
10. wat zijn ogen zien, maken zijn handen
[hij is erg handig]
11. zijn ogen zijn groter dan zijn maag
[hij kan minder eten dan hij dacht]
12. ogen in zijn rug hebben
[alles zien]
13. iemand de ogen openen
[hem de waarheid laten zien]
14. met het oog op
[in verband daarmee]
15. iemand naar de ogen zien
[je afhankelijk opstellen]
16. iets met de ogen verslinden
[er verlangend naar kijken]
17. een oogje in het zeil houden
[opletten of alles goed gaat]
18. iets voor ogen houden
[het in gedachten houden]
19. in zijn ogen
[volgens hem]
20. in het oog lopen of springen
[opvallen]
21. je ogen uitkijken
[het prachtig vinden om te zien]
22. het met andere ogen bekijken
[op een andere manier]
23. schele ogen geven
[anderen jaloers maken]
24. er geen oog voor hebben
[er geen aandacht voor hebben]
25. iemand de ogen uitsteken
[jaloers maken]
26. een oogje op iemand hebben
[een beetje verliefd op haar zijn]
27. het onder ogen zien
[het beseffen]
28. iets op het oog hebben
[het gezien hebben en willen kopen]
29. je ogen de kost geven
[goed kijken]
30. iemand zand in de ogen strooien
[hem misleiden]
31. je ogen in je zak hebben
[niet opletten]
32. iemand zand in de ogen strooien
[voor de gek houden, misleiden]
33. ogen tekortkomen
[veel te zien hebben]
34. je ogen niet kunnen geloven
[niet kunnen geloven dat het waar is wat je ziet]
35. met grote ogen ergens naar kijken
[verbaasd]
36. iets met een half oog zien
[zonder er de volle aandacht aan te geven]
37. als mijn ogen mij niet bedriegen
[ik weet niet zeker of ik het goed gezien heb]
38. met het blote oog
[zonder bril of andere hulpmiddelen]
39. geen oog dichtdoen
[niet kunnen slapen]
40. hij heeft dollartekens in zijn ogen
[laat blijken dat hij graag geld wil verdienen]
41. geen hand voor ogen kunnen zien
[helemaal niets]
42. iemand het licht in de ogen niet gunnen
[niets gunnen]
43. ergens een open oog voor hebben
[er de waarde van inzien]
44. de schellen vallen hem van de ogen
[hij ziet hoe het werkelijk zit]
45. wel de splinter in andersmans oog zien, maar niet de balk in zijn eigen oog
[blind zijn voor eigen fouten, maar van anderen alles zien]
46. het oog van de meester maakt het paard vet
[als de baas toekijkt, gaat alles beter]
47. niemand naar de ogen hoeven zien
[van niemand afhankelijk zijn]
2. ronde opening in een voorwerp
♢ ik doe de draad door het oog van de naald
1. hoge ogen gooien
[veel kans maken]
2. door het oog van de naald
[aan groot gevaar ontkomen]
3. daar zitten veel haken en ogen aan
[dingen die ingewikkeld zijn]

Zelfstandig naamwoord: oog
het oog
de ogen
het oogje