nieuw betekenis & definitie

nieuw - bijvoeglijk naamwoord

1. wat nog niet lang bestaat of nog niet gebruikt is
ik heb nieuwe kleren aan
1. nieuwe aardappelen
[pas geoogst]
2. nieuwe bezems vegen schoon
[nieuwe maatregelen werken goed]
3. het nieuwe is eraf
[het is minder aantrekkelijk omdat men eraan gewend is]
4. nieuwe haring
[van de nieuwe vangst]
5. iets in een nieuw jasje steken
[het vernieuwen]
6. zich in het nieuw steken
[nieuwe kleren kopen]
2. wat volgt op iets of iemand
♢ vandaag komt de nieuwe directeur
1. een nieuw leven beginnen
[alles anders gaan doen]
2. ik ben hier nieuw
[ik ben hier nog maar heel kort]
3. nieuw bloed
[mensen die een frisse kijk op de dingen hebben]
4. een nieuw geluid
[iets ongewoons, iets verrassends]
5. de nieuwe geschiedenis
[van ongeveer 1500-1800]
6. de nieuwste geschiedenis
[van 1800 tot nu]
7. iets nieuw leven inblazen
[zorgen dat het weer aantrekkelijk wordt of goed draait]
8. er is niets nieuws onder de zon
[alles is bij het oude gebleven]

Algemene uitdrukkingen:
1. nieuwe maan
[maan precies tussen aarde en zon zodat je hem niet ziet]
Bijvoeglijk naamwoord: nieuw
... is nieuwer dan ...
het nieuwst
de/het nieuwe ...
iets nieuws

Tegenstellingen
tweedehands

Gepubliceerd op 14-11-2017