Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

natuurlijk

betekenis & definitie

natuurlijk - bijvoeglijk naamwoord
uitspraak: na-tuur-lijk

1. alles wat te maken heeft met de natuur
ik hou van een natuurlijke versiering met de kerst
1. een natuurlijke dood sterven
[niet vermoord worden]
2. natuurlijke brandstoffen
[steenkool, olie, aardgas, etc.]
3. de natuurlijke vader
[die het kind verwekt heeft]
2. precies als in de werkelijkheid
♢ zij speelt die rol heel natuurlijk
3. wat door de natuur ontstaan is
♢ op IJsland heb je veel natuurlijke bronnen
4. wat uit de aard van de zaak voortkomt
♢ kinderen willen krijgen is een natuurlijke wens
1. natuurlijk is het zo dat ...
[vanzelfsprekend]
2. dat is niet natuurlijk
[in strijd met de normale gang van zaken]

Algemene uitdrukkingen:
1. natuurlijke getallen
[positieve, hele getallen]
2. een natuurlijk kind
[buiten het huwelijk geboren]
3. de natuurlijke vader
[de juridische vader, niet de biologische]
4. de natuurlijke toonladder
[zonder kruisen of mollen]
5. natuurlijk loon
[net genoeg om arbeiders in leven te houden]
Bijvoeglijk naamwoord: na-tuur-lijk
... is natuurlijker dan ...
het natuurlijkst
de/het natuurlijke ...
iets natuurlijks

Synoniemen
echt, heus, onvervalst, reëel, waar, waarlijk, werkelijk

Tegenstellingen
irreëel, kunstmatig, onnatuurlijk