Muiswerk

Woordenboek van Muiswerk Educatief

Gepubliceerd op 14-11-2017

2017-11-14

naam

betekenis & definitie

naam - zelfstandig naamwoord

1. woord waarmee je zegt hoe iets of iemand heet
♢ mijn naam is Jaap de Jong
1. het mag geen naam hebben
[het betekent niets]
2. ik kan niet op zijn naam komen
[ik herinner me niet hoe hij heet]
3. met name in augustus was het koud
[vooral in augustus]
4. zij heeft de naam lui te zijn
[veel mensen vinden dat]
5. die winkel heeft een goede naam
[staat bekend als een goede winkel]
6. uit naam van de vereniging
[als vertegenwoordiger van de vereniging]
7. mijn naam is haas
[ik weet er niets van]
8. een naamloze vennootschap
[zaak waarvan de aandelen openbaar verkocht kunnen worden]
9. het beestje bij de naam noemen
[zeggen waar het op staat]
10. iets op zijn naam schrijven
[een succes behalen]
11. in zijn naam
[op zijn gezag]
12. ten name van
[op die naam geregistreerd]
13. met naam en toenaam
[met alle persoonlijke gegevens]
14. vrij op naam
[de koper betaalt geen overdrachtskosten]
15. in naam der wet
[de wet bepaalt het zo]
2. de bekendheid die iemand geniet
♢ deze minister heeft een goede naam in het buitenland
1. zijn naam eer aan doen
[zijn reputatie waarmaken]
2. te goeder naam en faam bekend zijn
[gunstig bekendstaan]
3. iemand in zijn goede naam aantasten
[belasteren]
4. een slechte naam hebben
[een slechte reputatie]
5. iemands naam door het slijk halen
[zijn reputatie aantasten]
6. het aan zijn naam verplicht zijn
[voor het behoud van zijn goede naam]

Zelfstandig naamwoord: naam
de naam
de namen
het naampje

Synoniemen
benaming, name