Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 31-10-2017

minuscuul

betekenis & definitie

minuscuul - bijvoeglijk naamwoord
uitspraak: mi-nus-kuul

1. heel klein, bijna onzichtbaar
♢er zaten minuscule vlekjes op de stropdas

Bijvoeglijk naamwoord: mi-nus-kuul
... is minusculer dan ...
het minuscuulst
de/het minuscule ...
iets minuscuuls

Tegenstellingen
reusachtig, gigantisch, kolossaal, enorm [2], hemelsbreed, daverend, doorslaand