Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

Gepubliceerd op 14-11-2017

los

betekenis & definitie

los - bijvoeglijk naamwoord

1. niet of niet stevig vast
♢ de hond is los
1. alles wat los en vast zit is weggehaald
[alles dus]
2. de beer is los
[de narigheid is begonnen]
3. er zit een draadje (schroefje) bij hem los
[hij is niet goed bij zijn verstand]
4. losse handen hebben
[veel en gauw slaan]
5. iets uit de losse pols doen
[met groot gemak]
6. op losse schroeven staan
[onzeker, twijfelachtig of het doorgaat]
7. aan hem is een steekje los
[hij is een beetje gek]
8. als los zand aan elkaar hangen
[zonder samenhang zijn]
2. op zichzelf, afzonderlijk
♢ hij schreef enkele losse woorden
1. dat was maar een losse opmerking
[ik bedoelde er niet iets bijzonders mee]
2. een losse kracht
[zonder arbeidsovereenkomst]
3. een los nummer
[dat niet bij een abonnement hoort]
4. los van...
[afgezien van...]
3. niet strak of gespannen
♢ je moet je spieren los maken
4. gemakkelijk in de omgang
♢ hij is erg los in de omgang met meisjes

Algemene uitdrukkingen:
1. zij leven erop los
[doen waar ze zin in hebben]
2. hij slaat erop los
[slaat hard en wild]
3. een losse flodder
[munitiepatroon zonder kogel]
4. van God los zijn
[verderfelijk]
5. erop los leven
[losbandig zijn]
Bijvoeglijk naamwoord: los
... is losser dan ...
de/het losse ...

Synoniemen
vlot

Tegenstellingen
aaneen, star, stijf