Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

leven

betekenis & definitie

leven - regelmatig werkwoord
uitspraak: le-ven

1. ademen en kunnen bewegen
mijn opa van 96 leeft nog
1. hij bracht het er levend van af
[hij ging niet dood]
2. hij weet van voren niet dat hij van achteren leeft
[hij is helemaal in de war]
3. hij leeft voor zijn gezin
[zijn gezin is het belangrijkst]
4. leve de koningin
[hoera voor de koningin]
5. wie dan leeft wie dan zorgt
[je moet je geen zorgen maken voor het nodig is]
2. op een bepaalde manier bestaan
♢ hij leeft van een uitkering
1. je moet leven en laten leven
[iedereen mag leven zoals hij wil]

Regelmatig werkwoord: le-ven
ik leef
jij/u leeft
hij/zij leeft
wij/zij/jullie leven
ik/jij/u/hij/zij leefde
wij/zij/jullie leefden
hij heeft geleefd
levend, levende