Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

kwijt

betekenis & definitie

kwijt - bijvoeglijk naamwoord

1. wat je niet meer kunt vinden
ik ben mijn portemonnee kwijt
1. ik ben daar veel tijd aan kwijt
[ik doe daar lang over]
2. de draad kwijt zijn
[niet weten hoe het vervolg gaat]
3. de kluts kwijt zijn
[in de war zijn]
4. iemands naam kwijt zijn
[die je niet meer kunnen herinneren]
5. de tel kwijt zijn
[niet meer weten hoeveel je er al geteld hebt]
2. waar je van bent bevrijd
♢ ik ben die lastige bezoeker eindelijk kwijt
1. je ei niet kwijt kunnen
[met niemand over je problemen kunnen praten]
2. kan ik iets aan je kwijt?
[wil je iets gebruiken?]
3. iemand liever kwijt dan rijk zijn
[hem liever niet meer om je heen hebben]
4. iets aan de straatstenen niet kwijt kunnen
[er geen kopers voor kunnen vinden]
5. ergens iets over kwijt willen
[er iets over willen zeggen]
6. zeg maar wat je kwijt wilt
[hoeveel geld je eraan wilt besteden]

Bijvoeglijk naamwoord: kwijt

Synoniemen
foetsie, verdwenen, weg, zoek