Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

kraan

betekenis & definitie

kraan - zelfstandig naamwoord

1. een buis waar water of gas uit komt als je hem open zet
♢ er kwam warm water uit de kraan
1. dat is dweilen met de kraan open
[proberen iets op te lossen, zonder de oorzaak aan te pakken]
2. een machine waar je mee hijst
♢ de kraan tilde de betonnen plaat op de wagen

Zelfstandig naamwoord: kraan
de kraan
de kranen
het kraantje