koning - zelfstandig naamwoord
uitspraak: ko-ning
1. vorst die een land regeert
♢ in Nederland hebben ze tegenwoordig geen koningin, maar een koning
1. koning Voetbal
[de voetbalsport waar alles voor opzij moet]
2. ergens de koning te rijk mee zijn
[er heel blij mee zijn]
Zelfstandig naamwoord: ko-ning
de koning
de koningen
het koninkje
Studenten en medewerkers van onderwijsinstellingen hebben gratis toegang.
Ensie voor jouw (onderwijs)instelling? Bekijk de mogelijkheden.