Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

koning

betekenis & definitie

koning - zelfstandig naamwoord
uitspraak: ko-ning

1. vorst die een land regeert
♢ in Nederland hebben ze tegenwoordig geen koningin, maar een koning
1. koning Voetbal
[de voetbalsport waar alles voor opzij moet]
2. ergens de koning te rijk mee zijn
[er heel blij mee zijn]

Zelfstandig naamwoord: ko-ning
de koning
de koningen
het koninkje