komen betekenis & definitie

komen - onregelmatig werkwoord
uitspraak: ko-men

1. de plaats bereiken, er verschijnen
vader komt thuis
1. wie het eerst komt, het eerst maalt
[wie er het eerste bij is, heeft de eerste kans]
2. erachter komen
[het ontdekken]
3. tussenbeide komen
[bemiddelen in een ruzie]
4. tot jezelf komen
[weer rustig en helder worden]
5. er kwam iets tussen
[iets verhinderde het]
2. eruit ontstaan
♢ er komt bloed uit de wond
1. hoe komt dat?
[wat is de oorzaak?]
2. hoe kom je daarbij
[waar haal je dat idee vandaan?]
3. dat komt ervan als je teveel eet
[dat is het gevolg]

Algemene uitdrukkingen:
1. ik kan niet op zijn naam komen
[ik kan me zijn naam niet herinneren]
2. het komt wel goed
[het loopt wel goed af]
3. kom op!
[laat de moed niet zakken]
4. die som is moeilijk, ik kom er niet uit
[ik kan hem niet oplossen]
5. ik zal het wel te weten komen
[ik ontdek het wel]
Onregelmatig werkwoord: ko-men
ik kom
jij/u komt
hij/zij komt
wij/zij/jullie komen
ik/jij/u/hij/zij kwam
wij/zij/jullie kwamen
hij is gekomen
de/het/een gekomen ....
komend, komende

Tegenstellingen
wegblijven