kleur betekenis & definitie

kleur - zelfstandig naamwoord

1. zwart, wit, geel, rood, blauw of een mengsel daarvan
♢ welke kleur hebben die gordijnen?
1. hij heeft niet veel kleur
[ziet er ziek uit]
2. kleur bekennen
[laten merken hoe je erover denkt]
3. hij heeft een kleur als een biet
[een vuurrood hoofd]
4. een kleur krijgen
[blozen]
5. het in geuren en kleuren vertellen
[uitgebreid, met veel bijzonderheden]
6. primaire kleuren
[niet van andere kleuren gemaakt]
7. gedekte kleuren
[die rustig zijn voor de ogen]
8. ergens kleur aan geven
[het opvrolijken, verlevendigen]
9. de nationale kleuren
[die van de vlag]
10. een kleur als een boei hebben
[sterk blozen]

Zelfstandig naamwoord: kleur
de kleur
de kleuren
het kleurtje

Synoniemen
tint