Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

klein

betekenis & definitie

klein - bijvoeglijk naamwoord

1. wie of wat weinig ruimte inneemt
ze is klein voor haar leeftijd
1. een klein eindje
[een kort stukje]
2. ik krijg hem wel klein
[ik win het wel van hem]
3. wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd
[wie niet blij is met iets kleins, is het niet waard iets groots te krijgen]
4. het kleinste kamertje
[het toilet]
5. hij is voor geen kleintje vervaard
[durft alles aan]
6. iemand een kopje kleiner maken
[hem doden]
7. alles kort en klein slaan
[kapot slaan]
8. wat is de wereld toch klein!
[dat zeg je als je ver van huis vrienden of kennissen tegenkomt]
9. in het klein
[hetzelfde, maar dan in kleinere afmetingen]
2. jong
♢ je bent nog te klein om zo lang op te blijven
1. daar is hij een kleine jongen bij
[vergeleken daarmee is hij onbeduidend]
2. de kleine
[de baby of de peuter]
3. niet belangrijk
♢ hij is maar een kleine middenstander
1. een kleine boodschap doen
[plassen, urineren]
2. een kleine eter zijn
[weinig eten]
3. wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd
[wie niet blij is met iets kleins, verdient geen waardevolle, dure dingen]
4. heeft u het niet kleiner?
[in munten met een geringere waarde?]
5. de kleine kas
[geld voor dagelijkse uitgaven]
6. voor een klein prijsje
[voor weinig geld]
4. gering in aantal of hoeveelheid
♢ ik kocht die vaas voor een klein bedrag
1. de kleine kaart
[beperkte kaart met eenvoudige gerechten]

Algemene uitdrukkingen:
1. hij is nogal klein van geest
[bekrompen]
2. een klein jaar
[bijna een jaar]
Bijvoeglijk naamwoord: klein
... is kleiner dan ...
het kleinst
de/het kleine ...
iets kleins

Synoniemen
gering, irrelevant, lullig, miezerig, mini, onbeduidend, onbelangrijk, triviaal

Tegenstellingen
belangrijk, gewichtig, onmetelijk, relevant, voornaam