Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

klap

betekenis & definitie

klap - zelfstandig naamwoord

1. geluid van iets hards dat valt of botst
♢ met een harde klap reed de auto tegen de muur
1. als klap op de vuurpijl
[als hoogtepunt]
2. de eerste klap is een daalder waard
[wie het initiatief neemt is in het voordeel]
2. keer dat iemand geslagen wordt
♢ hij gaf een klap in mijn gezicht
1. in één klap
[in één keer]
2. de eerste klap is een daalder waard
[een goed begin is heel belangrijk]
3. dat was een klap in het gezicht
[een belediging of onverwachte tegenslag]
4. hij heeft een klap van de molen gehad
[is niet goed wijs]
5. twee vliegen in één klap
[twee zaken die je in één keer kunt afdoen]
3. groot verdriet
♢ dat de zaak failliet ging was een hele klap voor hem

Algemene uitdrukkingen:
1. er geen klap van begrijpen
[helemaal niets]
Zelfstandig naamwoord: klap
de klap
de klappen
het klapje

Synoniemen
dreun, mep, optater, slag