kind betekenis & definitie

kind - zelfstandig naamwoord

1. mens die nog niet volwassen is
zij hebben twee kinderen
1. zo blij als een kind
[heel erg blij]
2. hij is een kind van zijn tijd
[hij past precies in die tijd]
3. je moet het kind niet met het badwater weggooien
[tegelijk met het slechte ook het goede weggooien]
4. Senne is het kind van de rekening
[hij is het slachtoffer]
5. als een pasgeboren kind
[zo onschuldig]
6. hij is het kind van de rekening
[moet ervoor boeten]
7. dat kan een kind begrijpen
[dat is erg eenvoudig]
8. een doodgeboren kindje
[een zaak die van het begin af niets zou worden]
9. geen kind hebben aan iemand
[niet de minste last van hem hebben]
10. ik krijg er een kind van!
[ik heb er schoon genoeg van]
11. een ondergeschoven kindje
[dat niet veel aandacht krijgt]
12. een kind kan de was doen
[het is heel eenvoudig]
2. zoon of dochter
♢ mijn kind doet zoiets niet
1. kind aan huis zijn bij iemand
[er vaak komen]
2. kind noch kraai hebben
[geen familie hebben]
3. een onwettig/ buitenechtelijk/ onecht kind
[van mensen die niet met elkaar getrouwd zijn]

Zelfstandig naamwoord: kind
het kind
de kinderen
het kindje

Gepubliceerd op 14-11-2017