Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

kerk

betekenis & definitie

kerk - zelfstandig naamwoord

1. gebouw waar gelovigen bij elkaar komen
zij gaat elke zondag naar de kerk
1. de kogel is door de kerk
[de beslissing is gevallen]
2. voor het zingen de kerk uitgaan
[voor de zaadlozing terugtrekken]
2. groep mensen met hetzelfde geloof
♢ de paus is het hoofd van de katholieke kerk

Algemene uitdrukkingen:
1. in een oude kerk wordt ook wel eens een mis opgedragen (TB)
[een oude vrouw vrijt ook wel eens met iemand]
2. ter kerke gaan
[naar de kerk gaan]
Zelfstandig naamwoord: kerk
de kerk
de kerken
het kerkje