Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

kant

betekenis & definitie

kant - zelfstandig naamwoord

1. buitenste strook
kom niet te dicht bij de kant, anders val je in het water
1. ga eens aan de kant
[opzij]
2. het was kantje boord
[het liep maar net goed af]
3. zij loopt de kantjes ervan af
[ze doet bijna niets]
4. ik ben door hem aan de kant gezet
[weggestuurd]
5. al is het nog zo kant en klaar, het hapert toch wel hier en daar (TB)
[er mankeert altijd wel iets aan]
6. aan de kant staan
[niet meedoen]
7. dat raakt kant nog wal
[is onzin]
2. elk van de twee delen tegenover elkaar
♢ hij woont aan de andere kant van de stad
1. welke kant moet jij uit?
[in welke richting ga jij?]
2. van moeders kant is hij Turks
[zijn moeder is Turks]
3. ik kan geen kant meer op
[zit erg in het nauw]
4. daar kun je alle kanten mee uit
[dat kun je op verschillende manieren opvatten]
5. ga ik zo goed? nee, je gaat de verkeerde kant op
[in de verkeerde richting]
6. het mes snijdt aan twee kanten
[het levert dubbel voordeel op]
7. het is een dubbeltje op zijn kant
[onzeker hoe het afloopt]
8. de scherpe kantjes van iets afnemen
[het verzachten]
9. iets van alle kanten bekijken
[de voors en tegens goed afwegen]
10. het deugt van geen kant
[is helemaal niet in orde]
11. even de andere kant op kijken
[iets gedogen]
12. geen kant meer op kunnen
[geen uitweg meer weten]
13. ergens alle kanten mee op kunnen
[er veel mogelijkheden mee hebben]
3. kunstig opengewerkt weefsel
♢ zij draagt een kraagje van kant
4. partij, kamp
♢ bekijk het ook eens van mijn kant!
1. familie van de koude kant
[aangetrouwd]
2. het gelijk aan zijn kant hebben
[het bij het juiste eind hebben]
3. dat hoor je van alle kanten
[dat zegt iedereen]
4. iemands kant kiezen
[zijn partij]
5. van de verkeerde kant zijn
[homoseksueel]
5. vlak waar je tegenaan kunt kijken
♢ een dobbelsteen heeft zes kanten

Algemene uitdrukkingen:
1. je van kant maken
[zelfmoord plegen]
2. het niet over je kant laten gaan
[je ertegen verzetten]
3. de boel aan kant maken
[opruimen]
4. iets over zijn kant laten gaan
[zich er niet tegen verzetten]
Zelfstandig naamwoord: kant
de kant
de kanten
het kantje

Synoniemen
aanzicht, rand, zijde