Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

2017-11-14

kaart

betekenis & definitie

kaart - zelfstandig naamwoord

1. rechthoekig stuk karton met afbeelding
we sturen hem een kaart uit Marokko
1. we spelen open kaart
[we zeggen precies wat we denken]
2. hem in de kaart spelen
[hem ongewild bevoordelen]
3. alles op één kaart zetten
[je geluk van één ding laten afhangen]
4. ansichtkaart
[kaart die je stuurt als je op vakantie bent]
5. trouwkaart
[kaart met aankondiging van een huwelijk]
6. speelkaart
[kaart om het kaartspel mee te spelen]
7. dat is geen haalbare kaart
[heeft geen kans van slagen]
8. de groene kaart
[internationaal verzekeringsbewijs]
9. de rode kaart
[teken van ernstige overtreding waarvoor je het veld wordt uitgestuurd]
10. de gele kaart
[teken van bestraffing in een voetbalwedstrijd]
11. de kaarten zijn geschud
[de uitslag ligt vast]
12. de kaarten liggen nu anders
[de situatie is veranderd]
13. zijn kaarten op tafel leggen
[zijn bedoelingen onthullen]
14. dat is doorgestoken kaart
[afgesproken werk]
15. iemand in de kaart kijken
[zijn geheime plannen doorzien]
16. open kaart spelen
[eerlijk zijn, niets verbergen]
17. iemand in de kaart spelen
[hem helpen]
2. rechthoekig stukje papier of karton als bewijs van toegang
♢ ik heb kaartjes voor de bioscoop
3. rechthoekig stuk papier waarop een stuk van landen of werelddelen staan
♢ kun je op de kaart van Nederland Amsterdam aanwijzen?
1. de problemen zijn nog niet in kaart gebracht
[nog niet op een rijtje gezet]
2. een blinde kaart
[zonder plaatsnamen]
3. iets in kaart brengen
[er een overzicht van maken]
4. iets op de kaart zetten
[zorgen dat het algemeen bekend wordt]
5. een stad van de kaart vegen
[vernietigen]

Algemene uitdrukkingen:
1. van de kaart zijn
[helemaal in de war zijn]
Zelfstandig naamwoord: kaart
de kaart
de kaarten
het kaartje