iris - zelfstandig naamwoord
uitspraak: i-ris
1. plant met paarse of gele grillige bloemen
♢ er groeiden prachtige irissen langs de slootkant
2. het gekleurde vlies in het oog, met in het midden de pupil
♢ de irissen van Peninna zijn prachtig donkerbruin
Zelfstandig naamwoord: i-ris
de iris
de irissen
het irisje
Studenten en medewerkers van onderwijsinstellingen hebben gratis toegang.
Ensie voor jouw (onderwijs)instelling? Bekijk de mogelijkheden.