Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

Gepubliceerd op 14-11-2017

hoop

betekenis & definitie

hoop - zelfstandig naamwoord

1. grote hoeveelheid, groot aantal
wat een hoop snoepjes heb jij!
2. slordige verzameling dingen
♢ hij gooide de stenen op een hoop
1. te hoop lopen
[overal vandaan ergens komen]
2. alles op een hoop gooien
[geen verschil maken]
3. op een hoop
[dicht op elkaar]
3. wens dat er iets gebeurt dat je graag wilt
♢ ik heb goede hoop dat hij weer beter wordt
1. er is geen hoop meer voor de zieke
[hij zal sterven]
2. ik heb de hoop opgegeven
[denk dat het niet lukt]
3. op hoop van zegen
[ik hoop dat het lukt, maar ben niet zeker]
4. hoop doet leven
[de hoop houdt je op de been]
5. leven tussen hoop en vrees
[in onzekerheid]
4. uitwerpselen
♢ er lag een hondenhoop op straat
1. de duivel schijt altijd op de grootste hoop
[mensen die toch al rijk zijn, krijgen er nog meer bij]

Zelfstandig naamwoord: hoop
de hoop
de hopen
het hoopje

Synoniemen
bende, boel, drol, ettelijke, massa, stoot, talrijk, tig, veel

Tegenstellingen
enkel