Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

grijs

betekenis & definitie

grijs - bijvoeglijk naamwoord

1. kleur die gemaakt is van zwart en wit
♢ oude mensen hebben vaak grijze haren
1. in het grijze verleden
[heel lang geleden]
2. de grijze cellen
[de hersenen]
3. ergens grijze haren van krijgen
[je er veel zorgen over maken]
4. een grijs kenteken
[speciaal voor vrachtverkeer]
5. een grijze muis
[een onopvallend persoon]
2. met grijze haren
♢ er kwam een grijze man op ons af
1. ergens grijs in worden
[er je hele leven mee bezig zijn]
3. enigszins onwettig
♢ een vlooienmarkt hoort tot de grijze sector

Algemene uitdrukkingen:
1. in de grijze oudheid
[lang geleden]
2. de grijze middelmaat
[wat saai is door middelmatigheid]
3. het te grijs maken
[te sterk overdrijven, te ver gaan]
4. de grijze zone
[een onduidelijk middengebied]
5. de grijze golf
[het toenemende aantal ouderen]
Bijvoeglijk naamwoord: grijs
... is grijzer dan ...
de/het grijze ...