goedvinden betekenis & definitie

goedvinden - onregelmatig werkwoord
uitspraak: goed-vin-den

1. ermee instemmen, zeggen dat het mag
♢ moet ik goedvinden dat je zo laat thuiskomt?

Onregelmatig werkwoord: goed-vin-den
ik vind goed (... ik goedvind)
jij/u vindt goed (... jij goedvindt)
hij/zij vindt goed (... hij goedvindt)
wij/zij/jullie vinden goed (... wij goedvinden)
ik/jij/u/hij/zij vond goed (... ik goedvond)
wij/zij/jullie vonden goed (... wij goedvonden)
hij heeft goedgevonden

Synoniemen
dulden, gedogen, permitteren, toegeven, toelaten, toestaan, toestemmen, tolereren, veroorloven

Tegenstellingen
bestrijden, tegengaan