Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

gezicht

betekenis & definitie

gezicht - zelfstandig naamwoord
uitspraak: ge-zicht

1. voorkant van het hoofd
ze had haar gezicht niet opgemaakt
1. met een stalen gezicht
[zonder gevoel te tonen]
2. dat geeft scheve gezichten
[het maakt anderen jaloers]
3. een raar gezicht trekken
[spieren in je gezicht bewegen]
4. iemand van gezicht kennen
[wel weten hoe hij eruitziet, maar meer niet]
5. iemand uit het gezicht verliezen
[niet meer weten waar hij is]
6. het recht in zijn gezicht zeggen
[zonder er omheen te draaien]
7. even je gezicht laten zien
[er kort op bezoek gaan]
8. het gezicht verliezen
[blind worden]
9. géén gezicht!
[niet om aan te zien, erg lelijk]
10. een klap in het gezicht
[een grove belediging]
11. op je gezicht gaan
[afgaan, mislukken]
12. een gezicht als een oorwurm
[boos en ontevreden]
13. een gezicht van oude lappen
[huilerig en lelijk]
14. iemand met twee gezichten
[een schijnheilig iemand]
15. liefde op het eerste gezicht
[verliefd worden als je elkaar voor het eerst ziet]
2. hoe het eruitziet
♢ die optocht was een mooi gezicht
1. op het eerste gezicht
[als je er voor het eerst naar kijkt]
2. het is géén gezicht
[het ziet er heel raar uit]
3. de trein verdween uit het gezicht
[ik zag hem niet meer]

Algemene uitdrukkingen:
1. je gezicht verliezen
[iets doen waardoor je je goede naam kwijtraakt]
Zelfstandig naamwoord: ge-zicht
het gezicht
de gezichten
het gezichtje

Synoniemen
gelaat, porum, smoel, snoet, snuit