Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

geld

betekenis & definitie

geld - zelfstandig naamwoord

1. munten of papier om mee te betalen
ik heb geen geld bij me
1. klein geld
[munten]
2. groot geld
[bankpapier]
3. voor half geld
[voor de halve prijs]
4. geld opnemen
[geld bij de bank of het postkantoor halen]
5. hij zwemt in het geld
[is erg rijk]
6. dat doe ik voor geen geld!
[absoluut niet]
7. voor hetzelfde geld was het anders
[het had net zo goed anders kunnen zijn]
8. met geld smijten
[veel geld uitgeven]
9. het geld groeit me niet op de rug
[ik ben niet zo rijk dat ik dat zomaar kan betalen]
10. geld over de balk gooien
[verspillen]
11. geld stinkt niet
[het is niet belangrijk hoe je aan je geld komt]
12. veel geld in het laatje brengen
[veel opleveren]
13. je geld of je leven!
[uitroep bij een overval]
14. van je geld leven
[niet meer hoeven werken]
15. iets te gelde maken
[het verkopen]
16. al kreeg ik geld toe!
[schampere opmerking als je iets echt niet wilt]
17. het geldt brandt hem in de zak
[hij wil het heel graag uitgeven]
18. geld zoekt geld
[wie geld bezit, krijgt er gemakkelijk geld bij]
19. eieren kiezen voor je geld
[je noodgedwongen met minder tevreden stellen]
20. voor half geld
[voor de helft van wat anderen moeten betalen]
21. dat is geen geld
[heel goedkoop]
22. het voor geen geld willen missen
[beslist niet]
23. geld speelt geen rol
[het doet er niet toe wat het kost]
24. alle waar is naar zijn geld
[wat goedkoop is, kan niet goed zijn]
25. geld dat stom is, maakt recht wat krom is
[geld kan onrecht of schade compenseren]
26. je moet geen goed geld naar slecht geld gooien
[geen geld besteden aan een slechte zaak]

Zelfstandig naamwoord: geld
het geld
de gelden

Synoniemen
poen