gebrek betekenis & definitie

gebrek - zelfstandig naamwoord
uitspraak: ge-brek

1. wat er niet of te weinig is
♢ er heerst een groot gebrek aan voedsel
1. in gebreke blijven
[niet doen wat je moet doen]
2. bij gebrek aan aardappels eten we rijst
[omdat er geen aardappels zijn ...]
3. bij gebrek aan beter
[omdat er niets beters is]
2. wat niet helemaal goed is
♢ zij is met dat gebrek geboren

Zelfstandig naamwoord: ge-brek
het gebrek
de gebrekken
het gebrekje

Synoniemen
euvel, fout, handicap, mankement, schaarste, tekort, zeldzaamheid

Tegenstellingen
aanleg, afdoend, begaafdheid, genoeg, talent, toereikend, voldoende