Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

gang

betekenis & definitie

gang - zelfstandig naamwoord

1. lange smalle ruimte waar deuren op uit komen
♢ het toilet is in de gang
2. overdekte weg
hij ontsnapte door een onderaardse gang
3. onderdeel van de maaltijd
♢ een maaltijd met drie gangen
4. het verder gaan, het doorgaan
♢ er zit geen gang in dit project!
1. iets in gang zetten
[ervoor zorgen dat het gebeurt]
2. een gesprek, discussie etc. op gang brengen
[ervoor zorgen dat het plaatsvindt]
3. aan de gang gaan
[beginnen]
4. het feest is nog in volle gang
[het wordt nog vrolijk voortgezet]
5. de gang der mensheid, der geschiedenis
[de ontwikkeling ervan]
6. op gang brengen (gesprek, discussie)
[zorgen dat het zich plaatsvindt, zich ontwikkelt]
7. op gang komen
[snelheid of vorm krijgen]
5. ontwikkeling van gebeurtenissen
♢ de vergadering is nog aan de gang
1. hem op gang helpen
[hem helpen te beginnen]
2. ga je gang
[doe het maar]
3. een vreemde gang van zaken
[het gaat op een vreemde manier]
4. hij zette er flink de gang in
[flink vaart maken]
5. zijn eigen gang gaan
[zijn eigen zin doen]
6. zijn gangen nagaan
[controleren hoe hij leeft en wat hij doet]
7. aan de gang gaan met iets
[ermee beginnen]
8. iets in gang zetten
[het laten werken]
9. ik kan wel aan de gang blijven!
[protest als je iets steeds opnieuw moet doen]
10. op gang komen
[goed beginnen te lopen]
6. snelheid
♢ je moet een beetje gang maken, anders komt het nooit af
1. op gang komen
[de vereiste snelheid bereiken]
7. manier van doen
♢ hij trekt zich van niemand wat aan en gaat gewoon zijn gang
1. ga je gang
[je mag het doen of je mag ermee doorgaan]
2. zijn goddelijke gang gaan
[zijn eigen zin doen, zonder verantwoording af te leggen]
3. met iets aan de gang gaan
[ermee beginnen]
4. goed aan de gang zijn
[flink aan het werk zijn]
5. ik kan wel aan de gang blijven!
[verzuchting bij een herhaald verzoek]
6. moeizaam op gang komen
[aan het werk komen]
7. je eigen gang gaan
[de dingen op je eigen manier doen, zonder je iets van anderen aan te trekken]
8. het gaan van mensen of dieren, hun manier van lopen
♢ de eend heeft een waggelende gang
1. je gang vertragen of versnellen
[langzamer of sneller gaan lopen]
2. aan de gang brengen
[verder laten gaan]
9. het ergens heen gaan
♢ het bezoek aan mijn zieke opa was een moeilijke gang
1. de gang naar Canossa maken
[boete doen voor het oog van iedereen]
2. de gang naar de rechter maken
[een zaak door de rechter laten beslissen]
3. iemands gangen nagaan
[onderzoeken wat hij doet]
10. het snel voortbewegen
♢ van de heuvel af hadden we een behoorlijke gang
1. er gang achter zetten
[sneller voortgaan, haast maken]
11. het te werk gaan, uitvoeren
♢ Daisy gaat altijd gewoon haar eigen gang
1. ga je gang
[je hebt toestemming om ergens mee te beginnen of door te gaan]
2. iemand zijn gang laten gaan
[hem zijn plan (verder) laten uitvoeren]
3. je goddelijke gang gaan
[je eigen zin doen en je van niemand iets aantrekken]
4. iemand aan de gang helpen
[hem aansporen iets te gaan doen]
5. weer aan de gang komen
[weer een baan krijgen]
6. (weer) aan de gang zijn
[bezig zijn]
7. ik kan wel aan de gang blijven
[dit gaat te ver, dat wijs ik af]
8. goed, moeilijk etc. op gang komen
[in actie komen]

Zelfstandig naamwoord: gang
de gang
de gangen
het gangetje

Synoniemen
continuïteit, voortgang