Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

fietsen

betekenis & definitie

fietsen - regelmatig werkwoord
uitspraak: fiet-sen

1. rijden op een fiets
hij fietste van Amsterdam naar Utrecht
1. ga toch fietsen!
[ga weg!; hou op!]

Regelmatig werkwoord: fiet-sen
ik fiets
jij/u fietst
hij/zij fietst
wij/zij/jullie fietsen
ik/jij/u/hij/zij fietste
wij/zij/jullie fietsten
hij heeft gefietst
de/het/een gefietste ....
fietsend, fietsende

Synoniemen
biken, peddelen