elkaar betekenis & definitie

elkaar - voornaamwoord
uitspraak: el-kaar

1. de een (en) de ander
ze schreven elkaar een lange brief
1. achter elkaar aan lopen
[de een na de ander]
2. bij elkaar
[het een bij het ander opgeteld]
3. onder elkaar
[als er geen anderen bij zijn]
2. de een (met) de ander
♢ wat er ook gebeurt, we blijven bij elkaar
1. bij elkaar blijven
[samen]
2. onder elkaar
[zonder dat er anderen bij zijn]
3. van elkaar af zijn
[gescheiden zijn]

Algemene uitdrukkingen:
1. het is voor elkaar
[het is in orde]
2. hij sprak twee uur achter elkaar
[twee uur aan een stuk door]
3. je haalt die dingen door elkaar
[je verwart ze]
4. ik kan die tweelingen niet uit elkaar houden
[ik weet niet wie wie is]
5. in elkaar slaan
[zo lang slaan dat de ander niet meer kan staan]
6. iets in elkaar schoppen
[kapot maken]
7. iets in elkaar zetten, in elkaar draaien
[opbouwen, maken]
8. bij elkaar roepen
[een overleg of vergadering organiseren]
9. door elkaar
[verward, rommelig]
Voornaamwoord: el-kaar

Synoniemen
elkander

Gepubliceerd op 14-11-2017