dubbel betekenis & definitie

dubbel - bijvoeglijk naamwoord
uitspraak: dub-bel

1. bestaande uit twee gelijke dingen
ze hebben dubbel glas in de ramen
1. ze lagen dubbel van het lachen
[ze moesten ontzettend lachen]
2. dubbel en dwars
[heel duidelijk]
3. die heb ik dubbel
[daar heb ik er twee van]

Bijvoeglijk naamwoord: dub-bel
de/het dubbele ...
iets dubbels

Tegenstellingen
enkel