Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

dood

betekenis & definitie

dood - bijvoeglijk naamwoord

1. niet meer levend
ik heb een dood vogeltje gevonden
1. dood en begraven zijn
[allang vergeten zijn]
2. heden groot, morgen dood
[succes duurt maar kort]
3. je dood houden
[je absoluut niet bewegen]
4. je dood ergeren
[heel erg ergeren]
5. je dood lachen
[heel erg moeten lachen]
6. meer dood dan levend
[in erg slechte toestand]
7. zo dood als een pier
[morsdood]
8. je dood schrikken
[heel erg schrikken]
9. op dood spoor
[je komt niet verder met die aanpak]
10. op sterven na dood zijn
[er heel slecht aan toe zijn]
11. iemand dood verklaren
[net doen alsof hij er niet is]
12. je dood schamen
[je heel erg schamen]
2. wat niet meer werkt, waar geen beweging meer in zit
♢ dit bier is helemaal dood
1. een dooie boel
[een saaie boel]
2. een dooie diender
[een saai iemand]
3. dood getijde
[tussen eb en vloed]
4. een dode hoek
[stuk waar je niets kunt zien]
5. over het dode punt heen zijn
[weer in beweging komen na een periode van stilstand]
6. een dode taal
[die niet meer gesproken wordt]

Algemene uitdrukkingen:
1. op zijn dooie akkertje
[heel rustig]
2. ergens een broertje dood aan hebben
[er afschuw van hebben]
3. in zijn dooie eentje
[helemaal alleen]
4. op zijn dooie gemak
[zonder zich te haasten]
Bijvoeglijk naamwoord: dood
de/het dode ...
iets doods

Synoniemen
kapot, levenloos

Tegenstellingen
levend