Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

direct

betekenis & definitie

direct - bijvoeglijk naamwoord
uitspraak: di-rect

1. zonder omweg
hij gaat direct van huis naar school
1. hij is heel direct
[zegt meteen waar het op staat]
2. directe belastingen
[die rechtstreeks worden geheven]
3. een directe uitzending
[die niet van tevoren is opgenomen]
4. direct object (lijdend voorwerp)
[geeft aan waar de handeling van het gezegde direct op gericht is: Jan slaat Piet (direct object)]
5. directe rede (citaat)
[letterlijke weergave wat iemand zei, bijv. hij vroeg: 'wil je wel op tijd komen?']
2. waar niets tussen zit
♢ zij woont in de directe omgeving van de binnenstad
3. zonder omhaal en emoties
♢ Meike zegt altijd heel direct wat ze ergens van vindt

Bijvoeglijk naamwoord: di-rect
... is directer dan ...
de/het directe ...

Synoniemen
clean, onmiddellijk, rechtstreeks, regelrecht

Tegenstellingen
bedekt, indirect