Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

Gepubliceerd op 14-11-2017

dik

betekenis & definitie

dik - bijvoeglijk naamwoord

1. erg breed of met een grote omvang
mijn zus is de laatste tijd erg dik
1. een dik belegde boterham
[met veel beleg]
2. een dikke huid hebben
[ongevoelig zijn]
3. een dikke nek hebben
[arrogant zijn, kapsones hebben]
4. een dikke pil
[een dik boek]
5. maak je niet dik, dun is de mode
[wind je niet op]
6. zich dik maken
[zich opwinden]
2. zonder veel tussenruimte
♢ zij heeft een dikke bos haar
1. beter dun van haar dan dik van hem (TB)
[dun haar is minder erg dan (ongewenst) zwanger zijn]
3. weinig vloeibaar
♢ de saus is dik
4. niet precies, maar met iets erbij
♢ je krijgt een dikke tien!
1. zij zijn dikke vrienden
[heel goede vrienden]
2. dat zit er dik in
[dat is te verwachten]
3. ze doen graag dik
[ze scheppen op]
4. dat is dik voor elkaar
[helemaal in orde]
5. dikke kans dat....
[het is waarschijnlijk dat...]
6. dat komt dik voor elkaar
[dat komt helemaal in orde]
7. een dik uur
[ruim een uur]
8. het er dik bovenop leggen
[overdrijven]
9. het ligt er dik bovenop
[het is overduidelijk]

Algemene uitdrukkingen:
1. door dik en dun
[wat er ook gebeurt]
2. het is dikke mik tussen die twee
[ze zijn goed bevriend]
Bijvoeglijk naamwoord: dik
... is dikker dan ...
het dikst
de/het dikke ...
iets diks

Synoniemen
corpulent, dicht, gezet, gezwollen, lijvig, opgezet, opgezwollen, royaal, ruim, zwaarlijvig

Tegenstellingen
dun, slank

< >