Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

chirurg

betekenis & definitie

chirurg - zelfstandig naamwoord
uitspraak: chi-rurg

1. hij opereert mensen
♢ een chirurg haalde mijn blindedarm eruit

Zelfstandig naamwoord: chi-rurg
de chirurg
de chirurgen
het chirurgje