Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

boom

betekenis & definitie

boom - zelfstandig naamwoord

1. plant met stevige stam waaraan takken groeien
♢ in onze tuin staat een hoge boom
1. een boom van een vent
[een grote stevige man]
2. hoge bomen vangen veel wind
[wie belangrijk is, krijgt veel kritiek]
3. door de bomen het bos niet zien
[door de details het geheel niet zien]
4. aan zijn vruchten kent men de boom
[aan zijn daden kent men de mens]
5. de bomen groeien niet tot in de hemel
[de mogelijkheden zijn niet onbeperkt]
6. oude bomen moet je niet verplanten
[oude mensen kunnen beter niet verhuizen]
7. aan de vruchten kent men de boom
[men kent de mens aan wat hij doet]
8. de appel valt niet ver van de boom
[kinderen lijken meestal op hun ouders]
9. omdraaien als een blad aan een boom
[je ineens heel anders gaan gedragen]
10. de kat uit de boom kijken
[een afwachtende houding aannemen]
11. je kunt de boom in!
[ik weiger het echt]
12. een boom omzagen
[hard snurken]

Zelfstandig naamwoord: boom
de boom
de bomen
het boompje