Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

boel

betekenis & definitie

boel - zelfstandig naamwoord

1. grote hoeveelheid, groot aantal
er zijn een boel mensen op straat
2. de dingen in de omgeving
wat is het hier een vuile boel!
1. de boel afbreken
[verschrikkelijk tekeer gaan]
2. de boel aan kant maken
[opruimen]
3. de boel in het honderd sturen
[laten mislukken]
3. iemand eigendommen
♢ hij kon vertrekken met zijn boeltje

Algemene uitdrukkingen:
1. een vrolijke boel is het hier
[er is hier veel gezelligheid]
2. het is hier een dooie boel
[het is hier saai]
3. de boel de boel laten
[de dingen op hun beloop laten]
Zelfstandig naamwoord: boel
de boel
het boeltje

Synoniemen
bende, ettelijke, hoop, massa, stoot, talrijk, tig, veel, zootje

Tegenstellingen
enkel