Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

blind

betekenis & definitie

blind - bijvoeglijk naamwoord

1. niet kunnen zien
♢ door het ongeluk is hij aan een oog blind
1. je er blind op staren
[er te lang naar kijken waardoor je het niet goed meer ziet]
2. liefde is blind
[wie verliefd is ziet de gebreken van de geliefde niet]
3. een blinde vlek hebben voor iets
[het niet kunnen inzien]
4. ziende blind zijn
[iets niet zien of niet willen zien]
2. zonder eigen mening
♢ we hebben hem blind gehoorzaamd
1. blinde haat
[die alleen het afstotelijke ziet]
2. in blinde razernij (woede)
[waarbij je niet meer nadenkt]
3. blind toeval
[een gebeurtenis waar niet op te rekenen viel]
4. een blind vertrouwen hebben in iemand
[hem zonder meer vertrouwen]
3. wat je niet kunt zien
♢ deze jas heeft een blinde sluiting

Algemene uitdrukkingen:
1. een blinde muur
[zonder raam of deur]
2. ik heb een blind vertrouwen in hem
[een groot vertrouwen]
3. blind typen
[zonder naar de toetsen te kijken]
4. een blinde vink
[rolletje gehakt met lapje vlees eromheen]
5. een blinde deur
[die niet geopend kan worden]
6. een blinde muur
[zonder ramen of deuren]
Bijvoeglijk naamwoord: blind
... is blinder dan ...
het blindst
de/het blinde ...