Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

2017-11-14

baas

betekenis & definitie

baas - zelfstandig naamwoord

1. wie de leiding heeft
hij is de baas van de ploeg
1. hij speelt de baas
[hij doet alsof hij meer te vertellen heeft]
2. het is altijd baas boven baas
[er is altijd iemand die het nog beter weet]
3. je hebt de baas bij je (TB)
[daar ga je zelf over]
4. baas in eigen buik
[zelf mogen beslissen over zwangerschap en abortus]
5. iemand de baas zijn
[hem overtreffen]
6. er is altijd baas boven baas
[iemand die anderen overtreft]
2. eigenaar van een zaak
♢ Edmond werkt bij een baas
1. zo druk als een klein baasje
[van alles moeten regelen]
2. je eigen baas zijn
[van niemand afhankelijk]
3. in de baas zijn tijd
[onder werktijd]
3. eigenaar van een huisdier
♢ kom maar Bello, kom maar bij het baasje
4. man of jongen
♢ de oude baas neemt het baasje op de knie

Zelfstandig naamwoord: baas
de baas
de bazen
het baasje

Synoniemen
chef, meester