Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

arm

betekenis & definitie

arm - zelfstandig naamwoord

1. lichaamsdeel van hand tot schouder
♢ Anita heeft haar arm gebroken
1. de sterke arm
[de politie]
2. iemand in de arm nemen
[zijn hulp inroepen]
3. met je ziel onder je arm lopen
[je vervelen]
4. met open armen ontvangen
[heel erg hartelijk]
5. in je armen sluiten
[omhelzen]
6. lange armen hebben
[veel macht bezitten]
7. elkaar in de armen vallen
[het heel erg met elkaar eens worden]
8. met de armen over elkaar zitten
[niets doen]
9. een arm geven
[ondersteunen met een arm]
2. deel van een ding dat iets pakt of draagt
♢ deze kandelaar heeft vier armen
3. zijrivier
♢ de Maas is een arm van de Rijn

Zelfstandig naamwoord: arm
de arm
de armen
het armpje