ander betekenis & definitie

ander - bijvoeglijk naamwoord
uitspraak: an-der

1. niet hetzelfde of dezelfde
ik koop een ander woordenboek
1. om de andere dag
[de ene dag wel, de andere dag niet]
2. ik wil het een en ander bespreken
[verschillende dingen]
3. ze hebben een of ander feest
[doet er niet toe wat voor feest]
4. onder andere
[naast andere dingen (dieren, mensen)]
5. het over een andere boeg gooien
[het anders aanpakken]
6. een en ander
[dat wat genoemd is]
7. het een en ander
[verschillende dingen, die niet bij name genoemd worden]
8. het één sluit het ander niet uit
[beide dingen zijn mogelijk]
9. als geen ander
[beter dan wie ook]
10. dat is een heel ander geluid
[het tegendeel van wat eerder gezegd werd]
11. in andere handen overgaan
[naar een andere eigenaar]
12. geen andere keuze hebben
[gedwongen zijn iets te doen]
13. onder andere
[wat je noemt, terwijl je ook andere dingen zou kunnen noemen]
14. een andere toon aanslaan
[beleefder worden]
15. van het ene woord kwam het andere
[het ontaardde in ruzie]
16. met andere woorden
[anders uitgedrukt]

Bijvoeglijk naamwoord: an-der
de/het andere ...
iets anders

Synoniemen
alternatief

Tegenstellingen
dito, eender, gelijk, gelijk, hetzelfde, identiek