Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

aanhechten

betekenis & definitie

aanhechten - regelmatig werkwoord
uitspraak: aan-hech-ten

1. aan iets vastmaken
♢ de draad is aangehecht met een dubbele steek

Regelmatig werkwoord: aan-hech-ten
ik hecht aan (... ik aanhecht)
jij/u hecht aan (... jij aanhecht)
hij/zij hecht aan (... hij aanhecht)
wij/zij/jullie hechten aan (... wij aanhechten)
ik/jij/u/hij/zij hechtte aan (... ik aanhechtte)
wij/zij/jullie hechtten aan (... wij aanhechtten)
hij heeft aangehecht
de/het/een aangehechte ....
aanhechtend, aanhechtende

Synoniemen
attachen