Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

Gepubliceerd op 14-11-2017

aanhalen

betekenis & definitie

aanhalen - regelmatig werkwoord
uitspraak: aan-ha-len

1. iemand zoenen of aaien
♢ Nikky kon het niet laten haar geliefde voortdurend aan te halen
2. de woorden van iemand letterlijk weergeven
♢ in dit stuk heeft André de schrijver Roald Dahl aangehaald
3. sterker maken, ergens beter aan vast maken
♢ je moet dat touw wat meer aanhalen
1. de broekriem (buikriem) aanhalen
[zuiniger gaan leven]
2. de teugels aanhalen
[strenger worden]
3. de vriendschapsbanden aanhalen
[inniger maken]
4. iets vervelends op je nemen
♢ wat heb je nu weer voor ellende aangehaald?
1. je iets op de hals halen
[iets vervelends voor je rekening nemen]

Regelmatig werkwoord: aan-ha-len
ik haal aan (... ik aanhaal)
jij/u haalt aan (... jij aanhaalt)
hij/zij haalt aan (... hij aanhaalt)
wij/zij/jullie halen aan (... wij aanhalen)
ik/jij/u/hij/zij haalde aan (... ik aanhaalde)
wij/zij/jullie haalden aan (... wij aanhaalden)
hij heeft aangehaald
de/het/een aangehaalde ....

Synoniemen
citeren, liefkozen